Hoeveel stof je nodig hebt per kledingstuk bereken je niet met een vuistregel, maar met drie gegevens: de nuttige breedte van je stof, het legplan waarop je patroondelen passen, en het snijverlies dat je erbij optelt. Voor een eenvoudig kledingstuk in een gemiddelde maat kom je vaak uit tussen de 0,8 en 1,8 meter bij een stofbreedte van 150 centimeter, maar dat getal zegt pas iets als je het voor jouw patroon en jouw maten hebt uitgerekend.
Ik heb 23 jaar mijn eigen sportkledingmerk gehad, met eigen productie in ons atelier. Ik heb duizenden meters ingekocht en ook een paar keer te weinig besteld. Dat is een fout die je precies één keer maakt, want een halve serie afmaken uit een nieuwe partij is de duurste les die er is.
Wat is de nuttige breedte van je stof?
Je stof wordt verkocht op een bepaalde breedte. Veel tricot en sportstof komt op 150 of 160 centimeter, geweven stoffen zie je vaak op 140 of 145.
Maar die volle breedte kun je niet gebruiken. Aan beide randen zit een zelfkant, en bij gebreide stoffen zit daar vaak een opgerolde of ingesmeerde rand die je niet kunt versnijden. Trek daar aan elke kant een paar centimeter vanaf en je houdt de nuttige breedte over. Dat is het getal waarmee je rekent.
Vraag die nuttige breedte altijd expliciet op bij je leverancier, en niet alleen de nominale breedte. Bij een stof met een gedrukt dessin dat niet helemaal tot de rand loopt, kan het verschil oplopen tot tien centimeter. Op een serie is dat zo een halve rol. Meer over welke vragen je hier stelt lees je in mijn stuk over een stofleverancier kiezen voor je kledinglijn.
Wat is een legplan en waarom bepaalt dat je verbruik?
Een legplan, ook wel marker genoemd, is een tekening waarop alle patroondelen zo dicht mogelijk tegen elkaar zijn gepuzzeld binnen de breedte van je stof. Daar rolt één getal uit: de lengte die je nodig hebt.
Dit is het punt waarop veel starters te veel betalen. Ze rekenen per kledingstuk in hun eentje, terwijl een goede snijder meerdere maten door elkaar legt. De mouwen van een maat S passen precies in de ruimte die het voorpand van een maat XL overlaat. Zo’n gecombineerd legplan haalt je verbruik omlaag zonder dat je iets aan je ontwerp verandert.
Vraag je patroonmaker of je producent daarom altijd om het verbruik van een gecombineerd legplan voor jouw maatverdeling, en niet om het verbruik van één los kledingstuk. Hoe je aan een goed gradeerd patroon komt, staat in mijn artikel over een patroon laten maken voor je kledinglijn.
Hoeveel snijverlies moet je rekenen?
Snijverlies is de stof die overblijft tussen en rondom je patroondelen, plus wat er aan het begin en einde van de rol niet bruikbaar is. Reken in de praktijk op vijf tot vijftien procent, en gebruik die bandbreedte zo:
- Rond de vijf procent bij een effen stof zonder richting, met eenvoudige, rechte delen en een goed gecombineerd legplan.
- Rond de tien procent bij de meeste normale kledingstukken met ronde delen, zoals armsgaten, kragen en zakdelen.
- Vijftien procent of meer bij stoffen met een richting of een dessin dat moet aansluiten.
Die laatste categorie is de duurste en wordt het vaakst vergeten. Ik loop hem hieronder langs.
Waarom richting en dessin je verbruik omhoog gooien
Sommige stoffen mag je maar één kant op leggen. Velours en fluweel hebben een vleug, dus de kleur verschilt als je een deel omdraait. Bij een geborstelde binnenkant geldt hetzelfde. En een print met een duidelijke boven- en onderkant kun je niet omkeren zonder dat je bloemen op hun kop staan.
Kan de snijder de delen niet omdraaien, dan kan hij minder strak puzzelen. Er blijven grotere gaten open en je legplan wordt langer.
Bij strepen en ruiten komt daar nog iets bij: ze moeten aansluiten op de naden. Dat betekent dat elk deel op een vast punt in het dessin moet liggen. Reken bij een streep of een ruit ruim, en vraag je producent vooraf om een verbruikopgave, niet achteraf om een verklaring.
Een rekenvoorbeeld van staal naar inkooporder
Even een voorbeeld met ronde getallen, zodat je de stappen ziet.
Stel je maakt een sporttop. Je stof is 155 centimeter breed, met een nuttige breedte van 150 centimeter. Je producent legt een gecombineerd legplan voor twee maten S, twee M, twee L en één XL, dus zeven stuks. Dat legplan komt uit op 6,3 meter lengte.
- Verbruik per stuk: 6,3 gedeeld door 7 is 0,9 meter.
- Je wilt een serie van 120 stuks: 120 keer 0,9 is 108 meter.
- Snijverlies van tien procent erbij: 108 keer 1,10 is ongeveer 119 meter.
- Reserve voor samples, een gemiste snit en een testwas: circa 5 meter.
Je bestelt dus ongeveer 124 meter, en je rondt af naar boven op wat je leverancier aan roleenheden levert. Bestel je in plaats daarvan die 108 meter, dan kom je gegarandeerd meters tekort en heb je een probleem met je kleurbatch. Waarom dat laatste zo vervelend uitpakt, leg ik uit in het artikel over kleur vastleggen voor je kledinglijn.
Van meters naar geld: wat betekent dit voor je kostprijs?
Je stofprijs staat per meter, maar je kostprijs reken je per kledingstuk. De brug daartussen is het verbruik dat je net hebt berekend, inclusief het verlies. Reken je het verlies niet mee, dan is je kostprijs te laag en verdwijnt je marge stilletjes in de knipafval.
Let ook op hoe je stof wordt geprijsd. Sommige leveranciers rekenen per meter, andere per kilo, vooral bij gebreide stoffen. Om die twee te vergelijken heb je het gewicht per vierkante meter en de breedte nodig. Zonder die gegevens vergelijk je twee offertes die niet te vergelijken zijn.
Neem het verbruik daarna mee in je prijsopbouw. Hoe je van kostprijs naar verkoopprijs komt, werk ik uit in hoe bepaal ik de prijs van mijn kledingmerk en in bepaal je prijsklasse.
Wat je aan je producent vraagt
Zet deze vier vragen in je mail voordat je iets bestelt:
- Wat is het verbruik per stuk op basis van een gecombineerd legplan voor mijn maatverdeling?
- Welke nuttige breedte hebben jullie daarbij gebruikt?
- Welk snijverliespercentage rekenen jullie voor deze stof en dit dessin?
- Wat gebeurt er met de restanten, kan ik die krijgen?
Die laatste vraag levert vaker iets op dan je denkt. Restanten zijn bruikbaar voor stalen, voor een klein accessoire of voor een testserie. Bovendien tellen alle kledingstukken die je in Nederland op de markt brengt mee onder de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel, waarover je als producent moet rapporteren. Scherp inkopen is dus ook administratief rustiger.
Wat je hiervan onthoudt
Vraag de nuttige breedte op, laat een gecombineerd legplan maken voor jouw maatverdeling, tel je snijverlies erbij en leg een kleine reserve opzij. Doe dat voordat je met je leverancier over prijs praat, want dan weet je waar je het over hebt.
In mijn online cursus Start je eigen kledinglijn reken je dit uit voor je eigen ontwerpen, met de sjablonen die ik in mijn eigen atelier gebruikte. Wil je eerst weten of een kledinglijn financieel haalbaar is voor jou, kijk dan naar de gratis masterclass. Daarin ga ik in op wat een start echt kost.
Veelgestelde vragen over stofverbruik
Hoeveel stof heb ik nodig voor een T-shirt?
Voor een basis-T-shirt in een gemiddelde damesmaat, bij een nuttige breedte van 150 centimeter, kom je meestal rond de 0,8 tot 1,1 meter uit. Bij een langere pasvorm, lange mouwen of een grotere maat loopt dat op. Voor een echte berekening heb je je eigen patroon en je eigen maatverdeling nodig.
Kan ik stofverbruik zelf berekenen zonder patroonmaker?
Ruw wel. Leg je patroondelen op ware grootte naast elkaar binnen je nuttige breedte en meet de lengte die je nodig hebt. Voor een inkooporder is dat te onnauwkeurig, want je mist de winst van een gecombineerd legplan over meerdere maten. Voor een eerste indicatie van je kostprijs is het prima.
Wat is het verschil tussen nominale en nuttige breedte?
De nominale breedte is de breedte die op de rol staat vermeld. De nuttige breedte is wat je daadwerkelijk kunt versnijden, dus zonder de zelfkanten en zonder een eventuele beschadigde of opgerolde rand. Reken altijd met de nuttige breedte.
Moet ik extra stof bestellen voor krimp?
Bij stoffen die krimpen wel. Laat een teststuk wassen en drogen zoals jouw klant dat gaat doen, meet het verschil en verwerk dat in je berekening. Bij katoen en bij gebreide kwaliteiten is dit een reële post, bij veel synthetische sportstoffen speelt het nauwelijks.
